Foto: Dick Westerveld

‘Het lijkt wel of er een heel ander orgel in het koor van de Joriskerk hangt’, denk ik bij de eerste klanken die Rien Donkersloot aan het voltooide instrument ontlokt. Het is zaterdag 9 februari, ’s middags. Het koor van de Sint-Joriskerk zit vol genodigden, onder wie de sponsors die de uitbreiding mogelijk hebben gemaakt. Liefhebbers en kenners dus. Op dit moment gaat de wens van organist en culturele commissie in vervulling. Het orgel heeft na 52 jaar wachten eindelijk zijn tweede klavier: een borstwerk met zes stemmen. En nu gaan we het voor het eerst horen!

Donkersloot begint zijn bespeling met ‘Onder een linde groen’ van Sweelinck. Hij combineert registers die er tot voor kort nog niet waren met de bestaande. De Dulciaan van het borstwerk voert de boventoon, waardoorheen de al ‘oude’ Quint 2 2/3 melodie laat horen. ‘Het is niet alleen een ander orgel, het klinkt ook veel ouder’, is mijn tweede gedachte. Neem nou zo’n Quint 1 1/3 die  zijn klanken door de intieme koorruimte laat parelen. Sweelinck zelf zou hier wel organist willen zijn. Toch?

Ondertussen mijmer ik nog wat na over de woorden die orgelmaker Bernhardt Edskes zojuist heeft gesproken. ‘Dit is geen neobarok orgel’, zei hij, ‘want de neobarok in de orgelbouw heeft nooit bestaan. De barok staat bekend om zijn sierlijke en ronde vormen. Maar niets aan dit orgel is rond. Het zijn strakke lijnen en rechte hoeken.’ Edskes had ook geen barok in gedachten toen hij 52 jaar geleden als medewerker van Metzler de kas eigenhandig ontwierp. ‘Ik had de Middeleeuwen voor ogen, de gotiek.’ Eigenlijk staat hier dus een neogotisch orgel, constateert hij.

Een beetje verwarrend is dat wel, overpeins ik. Want organisten associëren neogotische kerkgebouwen met romantische muziek. Maar ik heb Edskes begrepen. Weg met de term neogotiek, want die dekt de lading niet.

Niet alleen Sweelinck klink hier trouwens goed, maar ook Bach, Buxtehude en de twintigste-eeuwse componisten als Distler, Pepping en onze eigen Piet Post. Parelende fluiten, sonore prestanten.

Edskes is een boeiend verteller. Hij herinnert zich als de dag van gisteren dat hij directeur Pon van het gelijknamige beroemde Amersfoorts autobedrijf afhaalde van het vliegveld van Zürich. Jagersjas aan, grote hoed op zijn hoofd. ‘Pons bezoek aan de Zwitserse orgelbouwer was kort’, vertelt Edskes. ‘Hij wilde eigenlijk maar een ding weten: wat kost het orgel? Na het noemen van de prijs, zorgde hij ervoor dat het gevraagde bedrag de volgende dag op de rekening van Metzler stond.’

Nou ja, twee dingen wilde hij weten: ‘of er op het orgel ook nog iets van een jachthoorn kon, want hij hield van jagen’, Edskes kijkt lachend.

En dat hebben we in Amersfoort geweten. Het orgel kreeg een dijk van een Trompet 8’. Een allesoverheersend geluid. Het is nog niet zo heel erg lang geleden dat deze trompet werd getemperd. Voor die tijd was ik altijd bang dat de trompetpijpen zichzelf zouden lanceren.

Meneer Pon werd nogmaals vriendelijk aangekeken. Want eigenlijk moest er nog een klein orgel in de Gerfkamer komen. De Gerfkamer is de zaal waar in voorreformatorische tijden de priesters zich gereedmaakten voor het opdragen van de mis. Na de restauratie van de kerk zou de zaal gebruikt worden voor kleine samenkomsten. Pon vond het goed en trok nogmaals zijn portemonnee voor een driestems positief. Maar door dit royale gebaar durfde de Amersfoortse orgelcommissie en de toenmalige organist Willem Hülsman niet meer te beginnen over het tweede klavier van het koororgel, vertelt de orgelbouwer. Edskes had dat al wel ontworpen, maar het zou nog even duren voordat het er kwam.

Dat het borstwerk er nu is, is mede te danken aan een royale gift van Bouwbedrijf Schoonderbeek. Hoe die betaalde, vertelt Edskes niet. Dat horen we waarschijnlijk pas over vijftig jaar.

’s Avonds wordt het orgel voor de tweede keer gepresenteerd, nu voor iedereen die het horen wil. En dat zijn er veel – meer dan tweehonderd mensen zijn komen luisteren. Onder hen niet alleen Amersfoorters, maar ik zie organisten van beroemde orgels uit het hele land. Lang niet iedereen past in het koor, maar gelukkig kun je het instrument ook goed horen vanuit de kerkbanken in het schip, tussen doksaal en preekstoel. Op een groot scherm kunnen we niet alleen Rien Donkersloot zien spelen, maar ook zijn twee registranten Lydia Donkersloot en Koen van Andel die de zweldeurtjes van het Borstwerk bedienen. Want dat is nog een extra aan het orgel. Bernhardt Edskes heeft achter het snijwerk van het borstwerk dun houten plaatwerk aangebracht. De deurtjes – uitsluitend met de hand te bedienen – vergroten de mogelijkheden nog verder. Dat horen we bijvoorbeeld als Rien Donkersloot improviseert over Psalm 12 (een opvallende keuze bij een ingebruiknameconcert) en de Quintadeen 16’ van het hoofdwerk met de Dulciaan van het borstwerk combineert – deurtjes dicht. Wordt het toch nog klein beetje romantisch en omfloerst.

‘Ik hoef nooit meer te improviseren’, verzucht een jonge conservatoriumstudent achter me als Rien Donkersloot klaar is met improviseren over zijn droeve psalm. Zijn slotimprovisatie over psalm 136 aan het slot is een stuk vrolijker. Al spelend laat hij alle hoeken van het orgel horen, daarbij handig gebruikmakend van de registerdelingen in bas en discant van drie van de zes borstwerkregisters.

Daarna wordt er flink nagepraat. De commissieleden die de nieuwe cd – Organo Completato, ofwel voltooid orgel – van het koororgel verkopen, hebben het lekker druk.

[Peter Sneep]